Bijna één op de drie van de Gentse huishoudens heeft een inkomen dat lager is dan de inkomensgrens om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning. Daar komt nog bij dat bijna 40% van de huishoudens in principe recht heeft op een sociale koopwoning. Gent doet het met zijn 11 procent sociale huurwoningen in vergelijking met de rest van Vlaanderen zo slecht niet, maar toch blijven de wachtlijsten aangroeien.
Daarom pleit ik, als schepen van Stadsontwikkeling, Mobiliteit en Wonen, voor het recht op een betaalbare kwaliteitswoning: Als lokale overheid kunnen wij dit niet alleen waarmaken. Het grond- en pandendecreet biedt al heel wat beleidsinstrumenten om een inhaalbeweging voor het sociaal woonaanbod mogelijk te maken. Maar de betaalbaarheidsproblemen zijn momenteel zo groot dat meer overheidsinspanningen nodig zijn, ook op de private huur- en koopmarkt.
Tijdens het colloquium ‘Gent Woonstad: nieuwe woontrends’ gaf ik het startschot voor een breed maatschappelijk debat over stedelijke betaalbare woonkwaliteit en hoe de Vlaamse en lokale overheden dit doel voor de investeerders kunnen verzoenen met de crisis.
De Gentse Woonstudie toont aan dat steden en gemeenten zich moeten bezinnen over de mogelijkheden en beperkingen van de samenwerking met private investeerders. De overheid moet veel zwaarder investeren in de woningmarkt. Enerzijds moeten ontwikkelaars en verhuurders ondersteund worden en anderzijds moet het recht op een betaalbare en comfortabele woning veilig gesteld worden. Zoniet, stevenen we regelrecht af op een vastgoedcrisis die vergelijkbaar is met die van de banksector. We merken nu al dat sommige ontwikkelaars door de crisis de laatste fases van woonprojecten uitstellen. Dat er minder kwaliteitsvolle betaalbare huurwoningen op de private markt komen en dat sociale huisvestingsmaatschappijen hun bouwgronden steeds duurder moeten kopen. Als de vastgoedsector instort, zou dat kunnen leiden tot prijsdalingen op de woningmarkt. Maar de vraag naar betaalbare woningen zal echter spectaculair blijven stijgen.
Ik pleit ervoor om een groter aanbod op de woningmarkt te stimuleren, gecombineerd met diverse steunmaatregelen voor bewoners.
Concreet zijn dat de volgende maatregelen:
1. Steden moeten investeren in projecten waarin investeerders kansen krijgen om een meerwaarde te bieden voor stadsbewoners: via duurzaam bouwen, wonen aan het water, wonen aan publieke groen, enzovoort. Grote stadsontwikkelingsprojecten zetten de deur open voor meer woonkwaliteit met groene ruimtes die zuurstof brengen in de wijken. Er is immers ook nog steeds een grote groep van kapitaalkrachtige jonge gezinnen die vragende partij is voor dit kindvriendelijke aanbod.
2. Eenvoudige en haalbare richtlijnen voor ontwikkelaars kunnen de betaalbaarheid van wonen voor de minst kapitaalkrachtigen ook garanderen in deze projecten. Het bouwen van sociale huur- en koopwoningen moet daar zeker een onderdeel van zijn. Flexibele procedures en enveloppefinanciering voor sociale woningen zullen nodig zijn om dit op een efficiënte manier te kunnen doen. In eigen projecten van de stad kan men nog een stap verder gaan en dit uitbreiden met betaalbare huur- en koopwoningen voor alleenstaanden en jonge (éénouder)gezinnen. Het Vlaamse decreet op Grond en Pandenbeleid is een eerste stap in de goede richting om dit te realiseren, maar een volgende stap is de grondige uitwerking van de uitvoering van dit decreet.
3. Een nieuw elan voor de private huurmarkt is nodig. Nieuwbouwprojecten zouden meer huurwoningen moeten omvatten om voldoende aanbod te creëren in functie van de vraag. Dit kan door fiscale stimulansen.Verhuurders die een eerlijke prijs vragen voor een kwalitatieve woning zouden ook fiscale voordelen moeten krijgen. Huurders die deze eerlijke prijzen niet kunnen betalen, zouden recht moeten hebben op een huursubsidie.